Ah, shit
Het was een koude donderdagochtend. Meneer zat al vroeg achter zijn computer. 102 mailtjes. Een gemiddelde donderdagochtendscore. De kantoortuin stroomde langzaam vol. Hij was nog een beetje duf. Hij sloeg een derde en vierde machine-cappuccino af. Dufheid is bliss. Nog 92 mailtjes. “Wat ik nou meemaak” roept een binnenstappende collega ontdaan “ik rij een waterkip dood!”. Weg dufheid. Meneer zit rechtop. “Echt? Vertel!”. De collega schrikt een beetje van zoveel interesse en de niet geheel bij de situatie passende intensiteit in meneer’s stem. Gretigheid in plaats van empathie. Jachtzucht in waar medelijden verwacht werd.
Het blijkt om de hoek. Een “waterkip” (onduidelijk of het een meerkoet of waterhoentje betreft) steekt zonder te kijken de straat over. Vroeg, glad, donker. Beide partijen reageren te laat. De auto wint. Bonkerdebonk onder de bodemplaat. Zij weet nog precies waar het gebeurde. “ik kan je er wel naartoe brengen” oppert ze voorzichtig. Enkele seconden later heeft meneer zijn jas aan en zijn ze op weg naar het de bocht des doods. Daar stapt meneer, alleen, uit de auto en gaat zoeken. Op de straat, in de berm, de andere berm. Geen waterkip, geplet of anderszins dood. Wel zwemt er een verdacht gezond ogende meerkoet in een slootje naast de weg. Meerdere busreizende collega’s groeten wat verbaasd de bermspeurende meneer. Een meneer die langzaam hopelozer raakt. Geen dode meerkoet, of waterhoen. Zelfs geen obligate egelplakaat. Meneer keert teleurgesteld, maar met een opgetogen collega, terug naar zijn werk.
Toch maar een cappuccino dan.








